klik voor opening en aanwezigheid

Wat is Fixatie Disparatie?

Als u met de cursor op het plaatje staat,
ziet u het verstoorde beeld.

De uitleg hieronder, vereist wel wat achtergrondkennis. Voor een wat eenvoudiger uitleg kunt u kijken bij “Verslag van Dion Baltimoor”.

Gedachtegang

Om de gedachtegang verder te kunnen bepalen is begrip van het fenomeen fixatie disparatie (FD) essentieel. FD is het best te begrijpen aan de hand van de volgende technieken die gebruikt worden om FD te meten.

Bij de meting van de fixatie disparatie kijkt de patiënt met beide ogen naar een verlicht scherm op 6 meter afstand (liefst niet via de spiegel) en neemt op dat scherm twee strepen waar, die normaal een kruis vormen. Doordat de patiënt een speciale bril op heeft, ziet hij gelijktijdig met het rechteroog de staande streep en met het linkeroog de liggende streep. Nu moet de patiënt vertellen of hij werkelijk een kruis ziet of een kruis waarvan één balk verschoven is.

Behalve de kruisproef, wordt ook de Zeiss Pola testmethode gebruikt. Deze heeft de zogenaamde wijzerproef, de hakentest en de stereo gelijkheidtest, (voor het meten van stereo balans). De meetresultaten bepalen de mate van FD.

Afbeelding polatesten zonder FD

Polatest bij geen Fixatie Disparatie

FD is meestal niet groter dan enkele boogminuten. FD kan optreden onder fysiologische (normale) en onder pathologische (ziektebeeld) omstandigheden.

Bij sommige patiënten treedt FD spontaan op, pathologisch. Dat wil zeggen, de strepen worden verschoven ingesteld of waargenomen, hoewel het vierkant met de rand van centrum van beide ogen perfect enkel gezien wordt, en zonder dat er sprake is dat de ogen naar binnen of naar buiten draaien.

Als een dergelijke patiënt de beelden in het centrum van het gezichtsveld met zijn oogspieren perfect op zijn plek houdt, wordt juist de rand (perifere deel) van het beeld dubbel (verschoven) geprojecteerd.

Afbeelding polatesten FD

Polatest bij Fixatie Disparatie

Het moge duidelijk zijn dat dit tot klachten kan leiden. Zowel bij kinderen als volwassen. Hierover is iedereen het wel eens.

Theorie Prof. Haase

Volgens de theorie van Prof. Haase (1980) is FD van de tweede soort vroeger in het leven van de patiënt ontstaan doordat er een heteroforie bestond, (dat is een niet zichtbare scheelstand). Haase meent en dit heeft grote therapeutische consequenties, dat door correctie met prisma’s de ontstane FD alsnog gecorrigeerd kan worden.

Haase noemt de fysiologische FD, die optreedt bij sterke oogbewegingen, FD van de eerste soort. Als op jongere leeftijd een verborgen scheelstand heeft bestaan, heeft de patiënt deze steeds grotendeels met motorische fusie (met de kracht van de oogspieren zodat de beelden tot één beeld versmolten worden) gecorrigeerd. Volgens Haase is hierbij dan echter een blijvende sensorische (door prikkelverwerking) aanpassing ontstaan.

“Het disparate netvliespunt binnen het centrum van het oog heeft zijn perifere (zijzicht) verloren en de lokalisatie rechtuit aangenomen”, zo stelt Haase. Met andere woorden, een FD van de tweede soort, oftewel een pathologische FD, is ontstaan.

Bij FD tweede soort is bij binoculair zien geen gelijke fixatie van het centrum van beide ogen meer aanwezig. Monoculair (met één oog kijkend is er echter wel centrale fixatie. Bij FD tweede soort bestaat wel normale netvliescorrespondentie, met normaal diepte zien.

Waarschuwing

Dit in tegenstelling tot de situatie bij microstrabismus waarbij, als aanpassing aan scheelzien, het beeld in de netvlies-periferie van het scheelziende oog veel meer, wel tot een graad of zes, verschoven is (abnormale netvlies correspondentie).

Microstrabismus en abnormale netvliescorrespondentie mogen niet door prisma’s gecorrigeerd worden.

In een aantal gevallen is het niet juist om een prismabril voor te schrijven. Zoals bijvoorbeeld bij een abnormale netvliescorrespondentie (ARC). Daarbij hebben de hersenen de (verborgen) scheelstand aangepast tot een enkelbeeld. Als dan het prisma elke keer wordt versterkt, zal dit tot gevolg hebben dat de oogstand steeds scheler wordt. Men gaat dan dubbel zien, waarvan men vroeger geen last had.

Om deze en vele andere redenen, dient het voorschrijven van prismabrillen uitsluitend met veel deskundigheid worden gedaan.

Prisma correctie op latere leeftijd bij FD

Haase meent nu, dat FD tweede soort door middel van optimale prismatische correctie op latere leeftijd nog gecorrigeerd kan worden.

Hierbij wordt de prismasterkte, vastgesteld middels de Zeiss polatest, in de bril zodanig aangepast totdat bijvoorbeeld weer een perfect kruis gezien wordt door de patiënt. Met andere woorden, de FD van de tweede soort is deels gecorrigeerd door de FD van de eerste soort; of wel de pathologische FD is deels gecorrigeerd door fysiologische FD, welke door een bepaalde sterkte oogbeweging geregeld moet worden. De dan bereikte toestand is niet stationair.

Dit is ook de rede dat men bij FD van de tweede soort visuele training moet volgen. Anders moet het bestaande prisma steeds versterkt worden. Dit laatste geeft nog wel eens aanleiding tot kritiek. Bij een FD van de eerste soort zal het prisma niet versterkt hoeven worden.

Prisma oefenbril met visuele training

Rob Groenink van Groenink functionele optometrie praktijk vindt dat zowel bij een FD van de eerste soort als een FD van de tweede soort, visuele training een noodzakelijke aanvulling is. Daarbij licht de prismatische sterkte net iets onder de juiste waarde. Daardoor wordt het oefeneffect van de bril vergroot. Hierdoor is het mogelijk dat de prisma’s in de bril of oefenbril uiteindelijk niet meer nodig zijn.

Of, bij een FD van de tweede soort (oud, dus langer bestaand) in ieder geval niet of nauwelijks toenemen. Maar wel zo dat de asthenope klachten verminderen of zelf afwezig zijn.

Voor info visuele training klik hier.

Voor een uitgebreide uitleg over de diverse meetmethoden, klik hier.